Breakline, waarom peersupport?
(volgende is gebaseerd op het VAD Dossier: ‘Werken met peers’)
‘Peer’:
Een ‘peer’ kan omschreven worden als ‘leefstijlgenoot’. Hij deelt een aantal eigenschappen (leeftijd, etniciteit, geslacht, subcultuur, …) met andere ‘peers’, heeft gelijkaardige ervaringen (vb. druggerelateerde ervaringen, levensstijl, scholing) en behoort tot eenzelfde groep.
Peer support betekent “onderlinge steun van en door peers”, waarbij het accent ligt op gelijkwaardigheid.
Werken met ‘peers’ is niet ontstaan vanuit een theoretisch kader maar eerder vanuit een intuïtief aanvoelen van veldwerkers over ‘wat zou kunnen werken’.
Natuurlijk bestaat er ook theoretische ondersteuning voor dit aanvoelen:
- Sociale vergelijkingstheorie (Festinger, 1954)
- Sociale leertheorie (Bandura, 1977)
- Sociale identiteitstheorie (Wilder, 1990)
- Diffusion of innovations theorie (Rogers, 1995)
Al deze theorieën stellen dat sociale beïnvloeding binnen een ‘peer groep’ verloopt via een proces van observeren, vergelijken en het overnemen van een bepaalde attitude of gedrag.
Als een peer in de groep een zekere mate van geloofwaardigheid heeft en een zekere status wordt de kans op beïnvloeding groter.
Wij als ‘Breakline-peers’
Voelen ons thuis in clubs of op festivals, smijten ons graag tijdens feestjes en kennen iets van partydrugs, als (ex-)gebruiker, omdat het in onze omgeving gebruikt wordt, of omdat we er professioneel mee in contact komen.
Je hoeft dus geen actieve gebruiker te zijn om bij Breakline te ‘peeren’ wel vragen we een open houding en een respectvolle benadering van mensen die wel drugs gebruiken.
Iedereen in de peerploeg wordt nauw betrokken bij het opzetten en uitwerken van het project. Site, stand, flyermateriaal, planning, … wordt ontwikkeld door de peers in samenspraak met de regionale preventiewerking van VAGGA Altox.
Sociale beïnvloeding:
‘Peer pressure’ is een veelgenoemd mechanisme bij druggebruik. Jongeren zouden onder invloed van ‘slechte vrienden’ drugs gaan gebruiken. Voor de volwassen omgeving van een jonge gebruiker is dit vaak de belangrijkste reden. Dit is ergens ook normaal, het werkt ‘ont-schuldigend’ naar de ouders en hoe ze hun kind hebben opgevoed.
Maar, zij gaan hier voorbij aan een duidelijke interactie tussen de adolescent die zijn sociale netwerken kiest én de invloed van familiale factoren: iemand kiest zijn vriendenkring namelijk op basis van gelijkenissen in visie, overtuigingen, verwachtingen, waarde en gedrag, … allemaal factoren die onder meer mee worden bepaald door de omgeving waar iemand opgroeit.
Wél blijkt dat gebruik in de vriendengroep een van de betere voorspellers is of iemand ooit drugs zal gebruiken. Bovendien geven jongeren aan dat ze informatie over effecten en risico’s voornamelijk bij vrienden halen.
Natuurlijk kunnen groepsinvloeden zowel positief als negatief zijn.
Het is dus correcter om te spreken van groepsinvloeden i.p.v. het eenzijdige ‘groepsdruk’.
Adolescenten zien leeftijdsgenoten steeds meer als dé referentiepersonen in het maken van keuzes en in gesteld gedrag. Zeker wat betreft thema’s die met adolescentie te maken hebben en nog meer wat betreft thema’s waarop een zeker taboe rust bij volwassenen – druggebruik bij uitstek dus!
